Het einde van het lerarenpact: wat staat er in 2026 te wachten voor docenten?

Het Onderwijsakkoord, gelanceerd bij de start van het schooljaar 2023, was gebaseerd op een eenvoudig principe: het vergoeden van aanvullende taken die vrijwillig door docenten werden aanvaard. Vervanging voor korte duur, pedagogische begeleiding, schoolondersteuning zoals “Huiswerk gemaakt”: elke taak kwam overeen met een functioneel deel dat bovenop het salaris werd uitbetaald. Het wetsvoorstel voor de begroting 2026 heeft de budgetten voor deze regeling met ongeveer twee derde verminderd ten opzichte van de lancering, waardoor de toepassing ervan op het terrein marginaal is geworden.

Budgetten van het Onderwijsakkoord in 2026: een vermindering, geen afschaffing

De verwarring is vaak aanwezig in het publieke debat. Het regelgevend kader van het Akkoord is door geen enkele decreet of besluit afgeschaft. De regeling bestaat nog steeds in de wet.

Wat is veranderd, is het volume van de toegewezen budgetten. Het budget dat aan de aanvullende taken van het Akkoord was besteed, is aanzienlijk verminderd, zodat de rectoraten en de afdelingen van de nationale onderwijsdiensten (DSDEN) niet meer over voldoende marges beschikken om deze taken overal te financieren. Het Akkoord blijft theoretisch inzetbaar, maar de financiering hangt nu af van de lokale beslissingen van elke academie.

Deze situatie creëert territoriale ongelijkheden. Een docent in een ondergefinancierd plattelandsgebied heeft niet dezelfde toegang tot taken als een collega die werkt in een academie met resterende budgettaire marges. De vraag naar de einde van het onderwijsakkoord en de toekomst ervan stelt zich dus anders afhankelijk van het werkgebied.

Vermoeide docent zittend aan zijn bureau vol administratieve documenten, symbool voor de onzekerheden rond de hervorming van het onderwijsakkoord in 2026

Salarisstructuur van docenten: wat de bevriezing van het indexcijfer verandert

Het Akkoord was door het ministerie gepresenteerd als een hefboom voor aanvullende beloning. De bijna volledige budgettaire verdwijning vindt plaats in een context waarin het indexcijfer van de publieke sector sinds de laatste verhoging bevroren blijft. Voor de docenten die de functionele delen in hun maandbudget hadden opgenomen, is het verlies direct en niet gecompenseerd.

Het basissalaris van een gecertificeerde of geaggregeerde docent blijft de klassieke salarisstructuur volgen, met zijn schalen en bevorderingen. Geen enkele algemene verhogingsmaatregel heeft de vermindering van het Akkoord tussen 2024 en 2026 gecompenseerd.

Concreet verlies op de loonstrook

Een docent die meerdere taken van het Akkoord combineerde, ontving een niet te verwaarlozen jaarlijkse aanvulling. De afschaffing van deze taken leidt tot een terugkeer naar het bruto salaris, verhoogd met alleen de statutairen premies (ISOE voor het secundair onderwijs, ISAE voor het primair onderwijs). Vakbonden zoals de SNALC en de Snec-CFTC hadden het Akkoord vanaf het begin gekwalificeerd als een gedeeltelijke compensatie, geen structurele verhoging. De feiten geven hen gelijk.

Aantrekkelijkheid van het docentschap en wervingsexamens

De vermindering van het Akkoord past in een bredere trend van afname van het aantal kandidaten voor de onderwijsexamens. Volgens gegevens van de Senaat afkomstig van de DEPP, is het aantal deelnemers aan de examens voor het openbaar primair onderwijs met ongeveer een derde afgenomen tussen 2016 en 2024, terwijl het aantal openstaande posities in mindere mate is gedaald.

In het secundair onderwijs is het traject vergelijkbaar: een afname van 32,2 % van de deelnemers in dezelfde periode, voor een daling van slechts 17,8 % van de posities. Het verschil tussen deze twee curves weerspiegelt een structureel tekort aan aantrekkelijkheid dat het Akkoord niet heeft kunnen doorbreken.

Waarom het Akkoord niet genoeg was om nieuwe kandidaten aan te trekken

De regeling vergoedde extra taken, niet het beroep zelf. Een kandidaat die twijfelt tussen het onderwijs en een andere sector, neemt zijn beslissing niet op basis van de belofte van optionele taken waarvan de financiering van het ene begrotingsjaar naar het andere kan worden ingetrokken. De bepalende factoren blijven het niveau van het basissalaris, de voorwaarden voor lesgeven in de klas en de lange termijn carrièremogelijkheden.

  • Het instap salaris in het beroep wordt nog steeds als laag ervaren in verhouding tot het vereiste opleidingsniveau (master), wat de roep naar het beroep al in de universitaire oriëntatiefase belemmert.
  • De taken van het Akkoord voegden een reële werkbelasting toe zonder de status of de carrièreprogressie van de docent die ze accepteerde te wijzigen.
  • De variabiliteit van de financiering van het ene jaar naar het andere verhinderde elke betrouwbare financiële projectie voor de betrokken docenten.

Groep docenten die de hervorming van het onderwijsakkoord in een schoolgang bespreken, wat de collectieve zorgen van het beroep voor 2026 weerspiegelt

Onderwijsbudget 2026: de afwegingen achter de vermindering

De daling van de budgetten voor het Akkoord is niet het resultaat van een pedagogische afkeuring van de regeling. Het is te verklaren door een krappe begrotingscontext en door een demografische aanpassingsvariabele: de afname van het aantal leerlingen in het primair en secundair onderwijs stelt het ministerie in staat een algehele daling van het budget te rechtvaardigen, terwijl het op papier een stabiel leerling-leraar ratio behoudt.

Het senatierapport over het wetsvoorstel voor de begroting voor 2026 wijst op deze logica. De budgetten voor het onderwijs worden opnieuw afgestemd op basis van de verwachte leerlingenaantallen, niet op basis van de beloningsbehoeften van de docenten. Het Akkoord, een kostbare regeling in verhouding tot het aantal docenten dat er daadwerkelijk gebruik van maakte, was een gemakkelijk te verminderen uitgavenpost.

Landbouwonderwijs: een specifieke waarschuwingssignaal

Het landbouwonderwijs heeft een specifieke waarschuwingsmissie gehad over de toekomst van het Onderwijsakkoord binnen zijn bereik. Deze sector, kleiner en met aparte budgetten, illustreert goed de kwetsbaarheid van de regeling: wanneer de centrale budgetten afnemen, verliezen de instellingen met lage leerlingenaantallen als eerste hun aanvullende taken.

Carrière van docenten na 2026: welke beloningsmogelijkheden blijven open

Zonder aangekondigde verhoging van het indexcijfer en met een Akkoord dat is gereduceerd tot zijn minimum, zijn de beloningsmechanismen voor een docent in 2026 beperkt tot de bestaande mechanismen:

  • De schaalverhoging, die een gereguleerd tijdschema volgt en afhankelijk is van anciënniteit en professionele evaluatie (carrièregesprekken).
  • De extra uren per jaar (HSA), die apart staan van het Akkoord en nog steeds beschikbaar zijn binnen de grenzen van de behoeften van de instelling.
  • Toegang tot de uitzonderlijke klas of de buitengewone klas, die de belangrijkste hefboom voor salarisprogressie op lange termijn blijft.
  • Vergoedingen gerelateerd aan specifieke functies (leiding, coördinatie, prioritaire educatie), waarvan de bedragen niet zijn gewijzigd door de begrotingshervorming.

Het Onderwijsakkoord heeft drie schooljaren geduurd in zijn volledig gefinancierde vorm. De belangrijkste erfenis is dat het de kloof heeft onthuld tussen de verwachte taken van docenten en hun statutair salaris. De bijna volledige budgettaire verdwijning van de regeling laat het probleem van de financiering van de werktijd van docenten buiten de klas intact.

Het einde van het lerarenpact: wat staat er in 2026 te wachten voor docenten?